Appeltjes van het Meetjesland

Uit in het Meetjesland

Korte artikels en cursiefjes…

Deze webpagina bevat auteursrechtelijk beschermd materiaal.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd door middel
van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.


  • 16/07/2016 – De redactie

    Het renteboek van de kapelanie van O.L.V. Aalter uit 1620

    Inleiding
    Pastoor Lepoutre van Aalter ontdekte in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw in zijn kerkarchief een merkwaardig oud archiefstuk, zo schreven A. Ryserhove en R. Tondat in het tijdschrift Ons Meetjesland in 1973. Luc Stockman liet zich in een van zijn voetnoten in zijn Geschiedenis van Aalter ontvallen dat hij degene was die eind 1972 in de pastorij van Aalter een oud renteboek aantrof van de kapelanie van O.L.V. in de kerk van Aalter. Het is daarna in privé-bezit beland. Gelukkig viel het boek begin 2016 in handen van het Historisch Genootschap van het Meetjesland, dat besloot om de inhoud ter beschikking te stellen van alle zoekers via een digitale bronnenpublicatie op zijn website.

    (Zie ook: www.geschiedenisvanaalter.blogspot.be, 9 januari 2016)

    Toelichting
    Het betreft een boek van zowat 15 cm breed op 20 cm hoog en ongeveer 2 cm dik. Het is netjes ingebonden in een soort perkament en telt enkele tientallen handgeschreven pagina’s.

    renteboek aalter 1620

    Het was pastoor Joannes Francenius (Franssen) die het renteboek in 1620 opstelde aan de hand van een oud renteboek uit 1548, opgemaakt door griffier Simon Stalpaert. De namenlijst van het renteboek overspant bijna een hele eeuw, van midden 16e tot midden 17e eeuw en overbrugt dus de aan archieven en bronnen zo rampzalige periode van de godsdienstoorlogen, toen het parochiale en economische leven werd ontwricht. Of werkelijk alle opeenvolgende renteplichtigen zijn opgenomen, valt nu nog moeilijk te achterhalen. Pastoor Francenius heeft zich ingespannen om alle achterstallen op te sporen vanaf omstreeks 1580. Hij werkte de gegevens nog bij tot circa 1640.

    De renten waren bezet op gronden gelegen voor ¾ te Knesselare en voor ¼ te Ursel. Voor Knesselare zijn dit de wijken Ter Kercken, Ten Houcken, Te Mesvoorden, Te Buntelare, Ter Straeten en Te Langhedonc. De opeenvolging van eigenaars, door erfenis of bij koop, van de verschillende percelen, met precisie beschreven en vaak benoemd, maakt dit boek tot een interessant werkinstrument voor genealogen en heemkundigen. Zo bleek eerder al dat de familie Ledeganck eigenlijk uit Knesselare stamde.

    Er valt zeker nog heel wat meer te ontdekken. Denk er wel aan dat de oude schrijfwijze van de namen, zowel familienamen als plaatsnamen, aardig kan verschillen van de huidige. Zo vind je Eentveld terug als Hentvelt en lees je Smeijers waar je De Meijer moet verstaan…

    U kunt de bronbewerking hier downloaden in PDF-formaat


  • 16/08/2010 – Hugo Notteboom

    De viering van Hippoliet Van Peene in Kaprijke in 1911

    Het eeuwfeest van de geboorte van Hippoliet Van Peene in 1911 wil het gemeentebestuur van Kaprijke niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Van Peene werd immers geboren in Kaprijke op 1 januari 1811, een nieuwjaarskind dus. Zijn vader (en ook grootvader) die geneesheer is in Kaprijke, rijmt gelegenheidsverzen. Oom Jan-Baptist, onderwijzer te Boekhoute, sticht in 1823 een Maatschappij van Rhetorica en een Schouwburg, “ter bevordering der moedertale en der Nederlandsche Letteroefeningen”. In 1837 wordt de herberg La Belle Vue in Boekhoute vermeld, bewoond door J. B. Van Peene. Een ander familielid, Jan Bernard Van Peene, notaris en burgemeester van Assenede, is er voorzitter van de letterkundige vereniging Floris ende Blancefloer “met wier leden hij ijverig werkte voor taal en volk”. Jan Bernard publiceerde in verschillende tijdschriften poëzie en proza en wordt lid van de Gentse maatschappij De Taal is gansch het Volk. Hij betrekt een voornaam burgerhuis in het centrum van Assenede dat hij in 1833 laat verbouwen. Er wonen Van Peene’s tot bij het begin van de 19de eeuw, het huis is dan een brouwerij.
    Hippoliet studeert in Leuven voor geneesheer en vestigt zich voor een korte tijd in Kaprijke waarna hij in 1837 in Gent gaat wonen waar hij de toneelvereniging De Goede Vrienden opricht. De jonge arts legt immers al van in Kaprijke een levendige belangstelling aan de dag voor toneel en ziet met lede ogen aan dat zowat alle verenigingen minderwaardige stukken opvoeren: Kotzebue, Ducis en Pixerecourt beheersen de toenmalige scène, om van de hooggelaarsde verzen van de rederijkers te zwijgen. Wie die stukken thans doorneemt acht het niet mogelijk dat ze zoveel succes kenden. Maar bij gebrek aan beters…

    Van Peene besluit er iets aan te doen, vertaalt eerst Franse toneelstukjes voor zijn toneelvereniging en begint in 1841 zelf toneelstukken te schrijven. Keizer Karel en de Berchemse Boer is zijn eerste blijspel, er volgen nog ongeveer zestig zangspelen, drama’s maar vooral blijspelen. De bekendste zijn nog steeds De twee echtscheidingen (1845) en Een man te trouwen (1845). Binnen de kortste keren is het Van Peene die de Vlaamse toneelscène beheerst. Bij de opening van de bekende Minardschouwburg in 1847 wordt het blijspel Brigitta of de twee vondelingen vertoond door Broedermin en Taelyver, vereniging die hij in 1840 met anderen had opgericht. Echtgenote Virginie Miry speelt in de meeste van zijn stukken een hoofdrol.

    Als toneelauteur is Van Peene allang vergeten. maar als schrijver van de tekst van De Vlaamse Leeuw in 1847 zal hij echter in de herinnering blijven leven. Van Peene vindt zijn inspiratie bij Nikolaus Beckers wiens strijdgedicht “Der Deutschen Rein” (Sie sollen ihn nicht haben, den freien deutschen Rhein…) ook in Vlaanderen enige populariteit genoot. Volgens andere bronnen laat hij zich inspireren door de Leeuwenzang in de Brabantse yeesten van Jan van Boendale. Karel Miry componeerde de muziek.

    °°°

    De feestelijkheden in juni 1911 voor deze beroemde Kaprijkenaar worden als volgt aangekondigd:

    Zaterdag 24 juni
    – Aankondiging der feesten door klokgelui

    Zondag 25 juni
    – 2 uur : Optocht der deelnemende maatschappijen; vergadering aan het station en in de Vrouwenstraat;
    – 2.45 : Onthulling op het plein van Van Peene’s borstbeeld en uitvoering van de cantate De Vlaamse Leeuw onder de leiding van organist Emiel Claeys;
    – 3.15 : Wederlandsch festival op 4 kiosken met 1 000 frank prijzen;
    – 8.30 : Prachtig vuurwerk van Verschelden uit Nederbrakel.

    En er wordt reclame gemaakt voor dit eeuwfeest: “Caprijcke, zoo voordeelig gelegen op de spoorweglijn Eeklo – Sint-Gillis-Waas, met onmiddellijke aansluiting van treinen en trams in alle richtingen, met zijn lief en aantrekkelijk plein, is gewis eene der geschikste plaatsen voor het geven van luisterrijke feesten. Ook verwacht de zoo fraaie gemeente Zondag 24 juni eene zee van volk. Aan allen, maatschappijen en publiek, is het gulhertigst onthaal verzekerd”.

    Het feest voor “den roemvollen en ervaren Vlaamschen tooneelschrijver” verloopt zoals alle feesten in die jaren, “met ongemeenen luister”. Niet minder dan 35 muziekmaatschappijen en twee toneelverenigingen – Het Nederlandsch Tooneel uit Brugge en De Fonteinisten uit Gent – nemen deel aan het festival.

    Het hele dorp is bevlagd en versierd en een zee van volk verdringt zich op het Plein bij het te onthullen borstbeeld. Errond het voltallige gemeentebestuur, de geestelijkheid en de afgevaardigden van de maatschappijen. De Kaprijkse vrederechter Neyt houdt een welbedachte gelegenheidsrede, waarna onder het gejuich van de massa het borstbeeld van Kaprijke’s zoon wordt ontbloot en namens de feestcommissie aan het gemeentebestuur wordt geschonken. Vervolgens wordt de Vlaamse Leeuw door de honderden aanwezigen uit ganscher harte gezongen onder de begeleiding van de fanfare.

    In het stadhuis is het opnieuw vrederechter Neyt die de maatschappijen bedankt en in het bijzonder “de Nederlandsche maatschappyen waren het voorwerp van eene vleiende betooging”. Maar niet alleen Neyt voert het woord:
    burgemeester Van de Wattyne uit Bassevelde, provinciaal raadslid,
    de voorzitter van de Fonteinisten,
    Lodewijk Vermeersch, voorzitter van de Brugse toneelvereniging, brengen “in welgepaste bewoordingen hulde aan de nagedachtenis van den groote tooneelschrijver die zooveel heeft bijgebracht tot uitbreiding van het Vlaamsche tooneel” Tot slot wordt een prachtige palm neergelegd bij het borstbeeld. Het was een schoon en welgelukt feest dat tot eer strekt van Kaprijke, ingezetenen en feestcomité.

    °°°

    Een lezer, die zich Aphoon noemt, schrijft naderhand nog een “brief per expres” waarin interessante details worden vermeld over de plechtigheid, we laten dit document in extenso volgen:

    “De Van Peenefeesten zijn goed van stapel geloopen. De onmeetbare dorpsplaats, de grootste misschien van Vlaanderen, was smaakvol versierd door den Bruggeling, heer Jan Bauweraerts. De stoet der uitgenoodigde maatschappijen uiterst wel gelukt. De verwelkoming der vreemdelingen hoofsch; het feestlied onder bestuur van den heer Emiel Claeys onberispelijk.
    De onthulling en overhandiging van het borstbeeld van den held der feest, Hippoliet Van Peene, door den Voorzitter van het Comiteit, den heer Vrederechter Neyt, aan de gemeente, was indrukwekkend. De uitreiking der gelden aan de deelnemende gezelschappen, baarde hier meer genoegen dan elders, … er was niet gespaard! Het vuurwerk, des avonds afgeschoten door den heer Verschelden van Nederbrakel, mocht ook overheerlijk heeten.
    Kortom, bovenstaand formuul, gereed gedrukt voor alle dergelijke feesten past hier ten volle. Zulk feest, ten andere, moest lukken, geleid als het was, door al wat Caprijcke bezit aan mannen van tel.

    Doch ééne eerbiedige vraag. Wien vierde men? Eenen geleerde, eenen tooneelschrijver, eenen dichter! Met raadt het niet; men moest Van Peene, den eenvoudigen, den echten Vlaming vieren. Van Peene zou Ledeganck’s Drie Zustersteden niet gedicht hebben; hij miste daartoe het hoofd van dezen dichter. Anderzijds nochtans, Eecloo vergeve het ons, zou Ledeganck den zoo eenvoudigen Vlaamschen Leeuw niet samengesponnen hebben; Van Peene’s hert heeft zooniet harder, dan toch hoorbaarder geklopt voor zijn geliefde Vlaanderen. Dààrom, Vlamingen uit alle steden en dorpen, landen en werelddeelen, groeten wij U, Hippoliet Van Peene; aan U de welverdiende eereplaats in onze vlaamsche herten.

    Dit punt is, mogelijks, door ’t feestkomiteit niet voldoende bedacht; ’t volk echter had dit niet uit het oog verloren. Ten bewijze daarvan, de uitbundige geestdrift die ’s anderendaags de Caprijcksche bevolking bezielde en ze als samenzweepte om, zoo ontstuimig als onverwachts, na het officiële, ’t echt vlaamsche Van Peenefeest te vieren, dat van ’s morgens begonnen tot middernacht voortduurde en slechts op dit plechtig uur gesloten werd door eenen overheerlijken, wijdweerdreunenden Vlaamsche Leeuw uitgegalmd door ruim 500 Caprijckenaren”.

    °°°

    Kaprijke is Van Peene niet vergeten. Naast het stadhuis kan men het Beeld voor Vlaanderen bewonderen, een werk van de Antwerpse kunstenaar Philip Aguirre y Otegui dat op donderdag 10 juli 2003 werd onthuld. Als uitgangspunt voor zijn Man met toeter vroeg de uit Baskenland afkomstige kunstenaar zich af welke gevoelens het nationaliteitsbesef bij hem opriepen. Dat bleek een gewone man uit het volk te zijn, een met een stofjas, die iets wil verkondigen, vandaar de toeter els symbool voor zijn stem: een klerk, onderwijzer, duivenmelker,… die het woord voerde in een Vlaams dorp.
    Het beeld maakt deel uit van een reeks gewijd aan Vlaamse taalminnaars die vooral in de 19de eeuw actief waren in het Meetjesland.


  • 16/08/2010 – Hugo Notteboom

    Jef Casteleyn, Eekloos volksdichter

    In Jaarboek 58 (2007) schreef Paul Van de Woestijne een interessant en uitgebreid artikel over de Eeklose volksdichter Jef Casteleyn (p.295-340). We raden iedereen dit artikel aan…
    In het Weekblad van Maldegem van 1910 troffen wij twee korte stukjes aan over deze Eeklose bard die het artikel van Paul met enkele details aanvullen…

    maart 1910

    Elken namiddag van iederen dag, rond twee ure, ontmoet men op de Kouter der stad Gent, een kloeken ouderling, lang van gestalte. Hij draagt een slappen hoed met brede randen, een versleten rosgeworden overjas, eene dito broek en een paar breede net gekuischte schoenen. Met zijn onafscheidbare wandelstok in de hand begeeft hij zich naar zijn studeervertrek, alias het postkantoor, rechtover ’t paleis van Justitie. Daar plaatst hij zich inde publieke zaal, aan eene der tafels en brengt zijne dichterlijke ontboezemingen op het papier.

    Deze tachtigjarige ouderling is Jef Casteleyn, den baard (!) onzer stad, die zich thans in Gent bevindt. Zonderling genoeg, noch de jaren, noch de tegenslagen noch de bekommeringen van allen aard, hebben invloed uitgeoefend op onzen Jef Casteleyn van voor dertig jaren, toen zijne geboorteplaats, ons Eecloo, hem te eng was geworden en hij op zekeren goeden morgen in den hoofdstad van ons land aanlandde. Hij heeft al de illusies behouden van zijn vroegeren tijd, en heeft nog steeds den mond vol van zijne ‘letterkundige’ produkten.
    “Hebt gij mijn treurspel gelezen: De Zeeldraaier of het weerspannige lijk?”, vraagt hij aan wie het hooren wil. ’t Is een drama in 8 bedrijven en 8 tafereelen. Telkens wanneer in dit stuk een man vermoordt wordt, en dat gebeurt dikwijls, roepen de omstanders: “Laten wij hem even gauw begraven, want liberalen en klerikalen zouden om zijn lijk kunnen vechten!”. En men steekt het lijk’in ’t gat van den souffleur. ’t Is langs daar dat het wederspannige lijk telkens wederkeert.

    Onze Jef Casteleyn geeft ook talrijke oden en andere hoogdravende dichtstukken geschreven, waarin figuurlijke uitdrukkingen voorkomen, eenig in hun aard. Zijne Nieuwe Brabançonne o.a. bevat de volgende strofen:

    La flotte Anglaise qui flotte dans la mer (bis)
    Jette un coup d’oeil sur notre liberté.

    Maar ’t is overbekend dat de minnaars der muze in ons gezegend landeken geene rentebrieven kunnen koopen, ook zal het niemand verwonderen dat onze Jef Casteleyn, ondanks zijn machtig talent, min of meer vernepen moet leven. Goede zielen, waaronder de Gravin van Vlaanderen, trekken hem gelukkig aan en met zijn pensioen van 65 frank is hij in staat een tamelijk rustigen ouden dag te slijten. Onze Jef Casteleyn, neemt overigens zijn toestand tamelijk heel licht op, zooals het een ware dichter betaamt.
    “Ik leef voor de kunst”, zegt hij op filosofische wijze en dan doet hij nog een goeden trok aan zijn houten pijp.

    mei 1810

    Eenige weken geleden hebben wij over den bard onzer stad, beter gekend onder den naam van Jef Casteleyn, geschreven. Wij schreven onder andere dat men hem rond 2 uren alle Zondagen kon bemerken, met een platten ronde hoed met roste verschenen broek en overjas en geleund op zijnen onafscheidbaren vriend, een kloeke oude stok, over den Kouter der stad Gent stapte, de Zonnestraat en Veldstraat insloeg, en vervolgens naar de Koornmarkt ging, om in een eene openbare zaal eene redevoering uit te spreken. Ook hebben wij dan gemeld dat hij veel en dikwijls toegejuicht werd.
    Thans hebben wij slechter nieuws aan onze lezers te melden, namelijk dat, gelijk ’t voorbeeld van andere poëten, den bard onzer stad in het gasthuis terechtgekomen is. Jef, die een zeer bewogen leven achter den rug heeft, is zijn 75e jaar in getreden en zijn avontuurlijk bestaan niet van dien aard zijnde om hem te bevrijden voor den tand des tijds, ligt hij thans op het ziekbed gekluisterd.

    In de laatste jaren, toen zijn roem als zwansdichter ietwat verzwonden was, heeft onze Jef veel armoede geleden. Vroeger nochtans lachte de fortuin hem toe en wie herinnert zich niet den bijval te Brussel bekomen met Bazoef, opgevoerd in den Alhambraschouwburg en waarin Jef Casteleyn in eigen persoon een rol vervulde.
    De man was er toe geraakt wijlen den Graaf van Vlaanderen in zijn lot belang te doen stellen. ’s Konings broeder kende den bard onzer stad een pensioen toe van twintig frank in de maand, eerder om een man uit den nood te helpen dan wel als ondersteuning van de letteren in de persoon van Jef Casteleyn.

    Hopen wij dat onze Jef al ras zal genezen zijn en in staat zal zijn het gasthuis te Gent te mogen verlaten in eene betere gezondheidstoestand. Wij wenschen dat uit ganscher harte onze Jef toe.

    De dichter overleed op 7 november 1912.